
Ingezonden: Parabel van de linde
Door: Wim Knol AlgemeenKomt een linde bij de bomendokter voor een prescan. Hij is weliswaar pas veertig, piepjong dus, maar je wilt toch graag extra zekerheid en zelfregie. Niet iedere boom wordt immers 400 jaar.
En, vraagt de dokter minzaam, hoe voelt u zich? Prima, antwoordt de boom, ik ben vitaal, heb een volle bos groene bladeren en mijn takken wuiven soepel in de wind. Ik sta in een prachtige omgeving en heb veel vrienden: vogels, insecten, honden, mensen. Rond kerst versieren zij me altijd met lichtjes en ‘s zomers hangen winkeliers een mooi boeket aan mijn stam. Als dank geef ik hen extra zuurstof en schaduw en stofzuig ik de lucht. Geloof me, we zijn echt vrienden voor het leven.
Dat is fijn, zegt de bomendokter. Helaas heb ik toch slecht nieuws voor u. U hebt nog maar kort te leven. De linde, aangeslagen: hoe komt u daar in hemelsnaam bij? Ik ben niet ziek en doe geen vlieg of vogel kwaad.
Dat is waar, antwoordt de dokter, u bent, een paar dode takjes daargelaten, kerngezond en kunt nog vele jaren mee, misschien wel 100. Als u met rust gelaten wordt tenminste. Daar wringt de schoen. In opdracht van de dorpsoudste komen werklui binnenkort uw woonplek overhoop halen en uw wortels uitspitten. Om de boel strak te trekken en fraaie keien neer te leggen. Dat willen de mensen graag, beweert hij. Dat overleeft u natuurlijk niet. Dat vindt de dorpsoudste heel erg. Daarom, om u die lijdensweg te besparen, wil hij u, en al uw broers en zussen ook trouwens, laten kappen en rooien.
De linde laat een lange stilte vallen. Dan, bedachtzaam mompelend: hoe oud is die dorpsoudste eigenlijk. Wat zegt u, 80, 81 jaar? Dat is twee keer zo oud als ik. Ik wens hem een mooie ouwe dag van minstens 100 maanden. Nou dan? Hoe zeggen jullie mensen dat ook alweer: gelijke monniken gelijke kappen?
Wim Knol















