Henk krijgt hulp van zijn kleindochter Ellen Vermeij.
Henk krijgt hulp van zijn kleindochter Ellen Vermeij. Foto: pr

Mandwerk is handwerk (deel 1)

Algemeen

Oudewater kent enkele mooie verborgen plekjes zoals de parochietuin van de Oud Katholieke kerk in de Wijngaardstraat en het pad langs de Grote Gracht, maar heeft u ook wel eens gehoord van het Henk Overbeekplantsoen? Dit plantsoen, vernoemd naar de mandenmaker met die naam, bevindt zich aan de Utrechtse straatweg vlak bij de Broedkorf. Goed, het is dan misschien niet een door onze autoriteiten goedgekeurde ‘straatnaam’, maar het parkje is er niet minder bijzonder door. Over Henk en het aloude beroep van mandenmaker gaat deze alweer 150ste aflevering van ‘ff z@ppen naar de vorige eeuw’.

Hendrik Overbeek, specialist in tenen palingfuiken

Henk werd in 1894 aan de Cabauwsekade in Lopik geboren. Zijn vader was koopman in varkens en fruit en thuis werd er ook nog een klein kroegie gerund door moeder, wat in die tijd wel meer voorkwam. Altijd makkelijk voor een koopman bij het afrekenen. Moeder speelde ‘trekharmonica’ en dat gaf natuurlijk extra gezelligheid in het kroegie daar aan de Cabauwse kade. Een oudere broer van Henk was in de leer gegaan bij een mandenmaker en Henk voelde ook wel wat voor dat vak. Daarom ging hij het vak leren bij Cornelis Kompeer in Hoenkoop. Kompeer (ook wel geschreven als ‘Kompier’) kwam uit een mandenmakersfamilie te Haastrecht en had zich in de tweede helft van de 19de eeuw gevestigd in Hoenkoop aan de Utrechtse straatweg. Toen Henk Overbeek bij Kompeer in de leer ging, was de man al in de 70 en een nichtje woonde bij hem in als huishoudster.

De afspraak was dat Henk een paar dagen in de week Kompeer kwam helpen. Henk was maar wat blij met zijn leermeester, want die was een echte kanjer in zijn vak. Kompeer leerde hem zelfs hoe hij een palingfuik moest maken. Dat is eigenlijk een apart vak en hoewel er ook teen aan te pas komt, hoort het niet echt bij het mandenmaken thuis.

Voor zichzelf

Maar Kompeer kwam plotseling te overlijden. Henk, pas 18 jaar oud, was in vertwijfeling. Moest hij proberen de zaak over te nemen? Hij sprak erover met zijn broer in Cabauw en die raadde hem aan inderdaad voor zichzelf te beginnen. Dat was best een flinke sprong in het duister want Oudewater telde maar liefst 13 mandenmakers in die tijd, waarvan Piet van Vliet, de familie Vierbergen in de Kapellestraat en Bas Burger in de Vinkenbuurt de bekendste waren. De eerste de beste zondag na de dood van Kompeer overlegde Henk met de familie Kompeer en gelukkig kwamen ze er snel uit. De volgende dag nam Henk al het materiaal over en begon voor zichzelf. De huishoudster bleef nog enkele jaren en Henk ging aan de slag.

Overbeek wist van aanpakken in zijn toch nieuwe omgeving en leerde er zijn latere vrouw Gijsje van Vliet kennen. Zij kwam uit Lopik en verhuisde al jong naar Snelrewaard. Daar ging ze bij verschillende boeren dienen.

Op 14 november 1921 trouwde het stel in het raadhuis van Hoenkoop dat bij de Rolaf aan het begin van de Damweg stond. Er was tevens een café aan verbonden. Dat was wel zo makkelijk, want na het trouwen kon je in hetzelfde huis ook de bruiloft vieren.

Op de plaats waar nu zijn dochter Riek nog woont (no. 50), had Henk een schuur laten bouwen en daarnaast woonde hij met zijn gezin en Toon Geurts. Het nieuwe schuurtje kreeg de naam ‘t is prima’. Dit was een stopwoordje van Henk, omdat hij niet de moeilijkste was. Zijn vrouw en hij zouden zes kinderen krijgen daar aan de Utrechtse Straatweg. Een van hen was Jan, de oprichter van deze krant De IJsselbode.

Vroeg uit de veren

Ze zeggen dat een boer vroeg op is, maar Henk Overbeek deed daar niet voor onder. Hij vertelde wel eens: “In mijn jonge tijd, als ik de boeren met de melkbussen hoorde rammelen, zat ik al tussen de teen. Elke ochtend om half vier was ik present en dat ging zo door tot ‘s avonds half tien, zes dagen in de week. Of je wilde of niet, je moest wel om het hoofd boven water te houden.”

Dat vroege opstaan kwam vooral voor wanneer er vleesmanden gemaakt moesten worden voor een bedrijf in Rotterdam. Het vlees ging in de manden en het geheel werd dan ingevroren. Nu in plastic, maar toen dus in manden. Als de klus geklaard was, kwam transporteur Van den Hoogen de manden ophalen om ze naar Rotterdam te vervoeren. Bij de aflevering kreeg hij meteen geld mee terug. Na de kerk op zondag ging Henk dan afrekenen bij Van den Hoogen in de Wijdstraat.

Henk maakte broedkorven en vooral pakmanden. Vroeger werden er veel manden gebruikt om allerlei waar in te vervoeren zoals vis en bloemen. Het was een slecht betaald vak, maar gaf ook veel voldoening. Zo was de woensdag (in Oudewater van oudsher marktdag) een vaste dag voor de boeren om een bezoek te brengen aan de mandenmaker. Dat gaf gezelligheid rond het kleine huisje daar aan de Utrechtsestraatweg. De boeren uit de omtrek kwamen bij Henk Overbeek dan kwart muds of half muds manden halen (1 mud is 70 kilo). Die gebruikten ze om aardappels, peren en appels naar de markt te vervoeren. De boeren namen dan voor de familie Overbeek vaak wat appels en peren mee. Daar was vrouw Overbeek maar wat blij mee voor haar gezin met 6 kinderen.

Griendcultuur

Tot in de jaren ‘50 van de vorige eeuw werden vooral de buitendijkse oevers van rivieren gebruikt als grienden. Een griend is een stuk land, dat voor akkerbouw, veeteelt of tuinbouw ongeschikt is, maar dat wel benut kan worden voor het planten van wilgentakken of ‘tenen’. In onze buurt gebeurde dat op de oevers van de Lek en de Hollandse IJssel. In onze streek waren de wilgentenen het basismateriaal voor het maken van manden en hoepels. Vooral IJsselstein was hiervan een centrum. Henk Overbeek haalde zijn tenen bij Van de Akker in Lopik en de firma W. Vink en Zonen in IJsselstein.

De eigenaar van de griend plantte de wilgentenen. Al naar gelang de kwaliteit of vraag werden er elk jaar tenen gesneden. Het oogsten ervan was zwaar werk. Vooral in Jaarsveld verdienden veel mannen daarmee hun brood. De tenen werden gesneden en vervolgens in bossen gebonden en geruime tijd in het water gelegd om ze soepel te maken. Daarna werden ze ‘geschild’, van hun schors en bast ontdaan. Als dat gebeurd was kon de teen verwerkt worden.

In 1958 werd van de werkplaats een woonhuis gemaakt voor zijn dochter Riek en haar man Piet Vermeij. Henk ging toen in een schuurtje achter het huis zijn manden maken. Het viel niet mee om rond te komen en Henk en Gijsje waren dan ook maar wat blij toen zij een jaar later konden profiteren van de pas ingevoerde A.O.W. voor 65-jarigen. Het bedrag was in die beginjaren nog niet hoog, 57 gulden voor een echtpaar, maar eindelijk hadden ze dan toch voor het eerst in hun leven een vast inkomen.

Manden voor de decoratie

Het was hard werken om een paar grijpstuivers te verdienen. Mandenmaken was altijd een slecht vak geweest. Maar eind jaren ‘60 en in de jaren ‘70 werd ineens een degelijk stuk handwerk op hoge prijs gesteld. De arbeid begon lonend te worden. Van gebruiksvoorwerpen werden de manden ineens decoratieve producten, zodat Overbeek er niet genoeg van kon maken. Hij werd zelfs gevraagd demonstraties te geven op de Jaarbeurs in Utrecht. “In die week verdiende ik meer dan vroeger in een half jaar en ik hoefde niet eens pootaan te spelen”, vertelde hij later trots. “Dat ging leuk man! Naderhand heb ik nog een tijdje bij V&D in Utrecht het vak gedemonstreerd en verder in Katwijk en in Rotterdam. Ik had er veel plezier in.”

Ondanks zijn hoge leeftijd bleef Henk Overbeek manden e.d. maken. Maar lekker in zijn eigen tempo. Zijn werk was nu zijn hobby geworden. Elke ochtend trok hij weer een manchester-broek aan, een stevige kiel, zette een hoedje op de wat kalende schedel, stak een sigaartje of een sigaretje op en streek in het schuurtje achter de woning neer tussen de tenen en voelde zich helemaal gelukkig.

In 1976 kwam hij te overlijden. Zo’n kleine 70 jaar had hij tussen de tenen geleefd. Daar was nu op zijn 82ste een eind aan gekomen.

Volgende keer over zijn opvolgers: zoon Piet Overbeek en kleinzoon Fons Vermeij.


Bronvermelding: De IJsselbode, ‘Wiewaswie’, De Schoonhovense Krant, Fons en Ellen Vermeij, Riek Vermeij, RHC Rijnstreek en Lopikerwaard.


De vorige afleveringen van ff z@ppen zijn gebundeld in acht delen. Waarvan de laatste drie in zwart/wit.
De rijk geïllustreerde boekjes zijn voor € 17,50 in Oudewater te koop bij de TIP en bij de schrijver zelf op De Cope 6.
Deel 5 staat geheel in het teken van de oorlog.

Afbeelding
Afbeelding
Bij het huisje staat de koopwaar (met palingfuik!) uitgestald.Op de achtergrond de hoge opslagschuur waar in 1986 kleinzoon Fons als mandenmaker zou beginnen De Broedkorf 1.
De griendvelden van de firma W. Vink en Zonen in IJsselstein waar Henk Overbeek zijn tenen bestelde.
Henk Overbeek werkt aan een zogenaamde rattenfuik,die werd in de kant van de sloot gelegd met de wiek in het wateren het andere gedeelte zonder wiek tegen de kant,waardoor de rat wel moest duiken om verder te zwemmen.Hij zwom dan zijn dood tegemoet omdat hij door de keel van de fuik dooken niet meer naar boven kon komen en verdronk.
Vervangend beheerder Debbie Splinter bij een klok met Cupido en Venus.
Dag van het Kasteel in Museum Paulina Bisdom van Vliet 2 uur geleden
Foto: Nick is klaar voor Moederdag!
Sportieve Moederdag bij FitFever 3 uur geleden
Afbeelding
Huys & Cadeau opent bij Hubo Haastrecht 16 uur geleden
Nederland, Eindhoven, 2 september 2015
Wim Daniels, auteur

Alle rechten voorbehouden/ All Rights reserved
foto: Merlijn Doomernik
Wim Daniëls brengt de vakantie naar Montfoort 18 uur geleden
Foto’s van Hans van den Hoven.
Knopenbad trapt 65-jarig jubileum af: drukte bij zonnige opening 21 uur geleden
Afbeelding
Echtpaar Anbergen 60 jaar getrouwd gisteren
Afbeelding
Stoelendans 8 mei, 09:00
Afbeelding
Henny van den IJssel 25 jaar bij de PLUS 7 mei, 20:00