
Om en nabij de tachtig…Nely den Toom
Door: Aad Kuiper AlgemeenIn De IJsselbode verschijnen regelmatig stukjes over echtparen die 50 of zelfs 60 jaar getrouwd zijn. Dat is niet iedereen gegeven, maar zelfs toen het tegenzat realiseerde Nely zich: ‘Ik mag door … en dan moet ik er ook wat van maken.’ Ze heeft nog meer bijzondere uitspraken waaraan we misschien af en toe moeten denken, als het niet gaat, zoals we gehoopt of zelfs verwacht hadden. Inmiddels woont deze voormalige directrice van De Schuylenburcht alweer een jaar of 35 in Oudewater.
Een rustige jeugd
Nely den Toom groeide, vanuit Oudewater gezien een stukje stroomafwaarts langs de Hollandse IJssel op, namelijk in Nieuwerkerk aan den IJssel. Haar vader was kleermaker en zijn broer had naast haar vaders winkel een kapperszaak. Nu zit er in de twee inmiddels aan elkaar gekoppelde panden in de Dorpsstraat een Argentijns restaurant. “Ik zie nog als ik daar wel eens ga eten door een lichte verhoging in de vloer waar het ene pand ophoudt en het andere begint.” Ze was de oudste van tien kinderen en droeg al vroeg haar steentje bij in het huishouden en de verzorging van de overige kinderen. “Ik was als kind heel nieuwsgierig en wilde graag leren, aan de andere kant hield ik ook veel van handenarbeid. Nieuwerkerk was toen nog een klein dorp en je kon daar lekker buiten spelen … en in de sloot vallen; daar was ik vrij goed in. Vandaar mijn angst voor water; daar heb ik altijd last van blijven houden.” “Hoewel het destijds een kleine leefgemeenschap was, woonden er veel kinderen op het dorp, vanuit de babyboomgeneratie. Maar er liep aan de andere kant wel een heel duidelijke lijn tussen de verschillende geloofsgemeenschappen. Een jaar of tien later begon Nieuwerkerk te groeien en speelden we ook bij de nieuwbouw, waar we met het hele gezin ook naartoe verhuisden. We woonden met tien kinderen in een huis, waar nu vier mensen zo ongeveer het maximum is.”
In de puberteit
“Omdat mijn vader kleermaker was, moesten we, in verband met de ‘klantenbinding’, ons altijd superbeleefd gedragen tegenover iedereen. Zeker toen ik met een klein clubje uit Nieuwerkerk naar Gouda, naar het Christelijk lyceum Gouda, ging. Ze waakten er enorm voor dat ik niet ‘naast mijn schoenen’ ging lopen. Nou, heb ik daar gelukkig nooit echt mijn best voor hoeven doen.”
“Ik moest wel erg wennen aan de steeds wisselende leerkrachten, en was in mijn puberteit echt opstandig. Ik was wel heel erg voor eerlijkheid en rechtvaardigheid en dat zorgde dikwijls voor conflicten. ‘de grote stad’, was voor mij toch lastiger dan het nog steeds vrij kleine Nieuwerkerk. Gelukkig hield ik van leren, dus ik genoot van school, maar ik hield ook van dansen en van feestjes bij iemand thuis.”
“En wat ik heel leuk vond was het leggen van verbanden tussen verschillende zaken die een rol speelden; daarom vond ik ‘recht’ ook zo’n mooi vak. Het ‘Waterpakt-arrest’ stond in die jaren volop in de belangstelling; dat volgde ik, want ik moest het ook voor mijn examen recht uitleggen en toelichten, maar ik vond het zeker ook boeiend. Daarom had ik een 10 voor recht, toen ik mijn eindexamen deed. Eigenlijk had ik het liefst advocaat geworden; er was echter geen geld om mij te laten studeren. Achteraf was een zusje van mij dat op de huishoudschool zat duurder uit, want ik kreeg de schoolboeken gratis, omdat ik gemiddeld meer dan een zeven had en voor mijn zusje moest er van alles gekocht worden. Maar ja; dat was toen.”
“Wat ik zeker leuk vind, is, dat ik via reünies nog steeds af en toe met andere oud-leerlingen contact heb; daar kan ik van genieten.”
Wereldburger
“Maar de verpleging vond ik ook wel wat. Ik kreeg een eigen kamer toen ik in het Havenziekenhuis (dat aan de Maasboulevard in Rotterdam ligt, red.) aan de slag kon om verpleegster te worden. Verpleegkundige A bleek later een prima basis om mee door te gaan. Ik was er tevreden mee; ik hoefde niet ook nog B te halen. Ik ontmoette daar allerlei mensen, die allemaal heel verschillend reageerden op wat er gebeurde. Je doet daar heel veel mensenkennis op. Dat is best boeiend en … ik leerde er ook om mijn talen beter te spreken.”
“En, heel belangrijk … ik werd wereldburger!”
Werken, trouwen, kinderen
“Ondertussen was ik getrouwd. Ik was twintig. Met een Antilliaanse man. Mijn kinderen zijn dus allemaal donker. Dat ik kinderen kreeg was voor mij eigenlijk niet echt iets bijzonders, want ik was thuis gewend, dat er weer een baby kwam. Op mijn 25e had ik al vier kinderen; daar is het bij gebleven. En ja, we hadden natuurlijk ook wel eens te maken met vooroordelen, zeker na mijn scheiding: ‘Heb je die kinderen allemaal aangenomen?’ En natuurlijk had ik die vier jaren niet gewerkt, maar ik ben kort daarna weer wel gaan werken. Wel ‘s avonds, want dat was handiger. Dat werk was in een reactiveringscentrum in Rotterdam.”
“Mijn kinderen kunnen het gelukkig goed met elkaar vinden en ze wonen geen van allen heel ver weg. Mijn oudste dochter wordt binnenkort 60. ‘t Is wat!”
“We zijn wel een aantal malen verhuisd. We woonden op twee verschillende plekken in Rotterdam, daarna in Portugaal en in Rhoon. Ik heb achtereenvolgens nog in een verpleeghuis voor dementerende bejaarden en in een bejaardencentrum gewerkt, waar ik hoofd verzorging was. Ik volgde toen natuurlijk regelmatig allemaal korte cursussen, want dat hoorde erbij. Ze hebben het nu wel over een leven lang leren, maar dat was destijds eigenlijk ook al zo. Alleen met de kinderen was het af en toe wel heel erg zwaar. Ik heb wel eens bijna een ongeluk gehad; gelukkig is dat goed afgelopen.”
Oudewater
“Ik was wel toe aan iets anders en toen kwam De Schuylenburcht op mijn pad. Ik kende Oudewater al door medeleerlingen op de middelbare school. Tot mijn verbazing zat er iemand in de selectiecommissie die ik 20 jaar eerder als jonge verpleegkundige in het reactiveringscentrum in Rotterdam had ontmoet. Tegelijkertijd kreeg ik een soortgelijk aanbod, zonder enige sollicitatie, ergens anders vandaan. Maar, daar komt mijn rechtvaardigheidsgevoel weer om de hoek kijken. Want, hoewel dat aanbod van veel dichterbij kwam en ik geen auto had en naar Oudewater gaan dus best lastig zou zijn, had ik daar ja tegen gezegd. En moest ik dat dus doen … vond ik.”
“Daar, in De Schuylenburcht, was er de jaren daarvoor veel gebeurd, ook lastige dingen. Er was echt werk aan de winkel; zo vond ik dat er onder andere een personeelsruimte moest komen. En dat regelde ik. Langzamerhand groeide het vertrouwen. Ik zie nog steeds mensen die er toen werkten; en dat is eigenlijk altijd leuk. Er werd een woning voor me geregeld aan de Dijkgraaflaan; door meneer Van der Hoogen. Toen ontmoette ik degene die later mijn tweede echtgenoot werd. Het was iemand die ik uit Rhoon kende, waar ik gewerkt had. Hij zou alleen koffie komen drinken, maar dat werd iets meer. Toen hebben we dit huis hier op de Papenhoeflaan gekocht. We hebben een paar heel mooie jaren gehad, totdat hij … een herseninfarct kreeg. Heel langzaam knapte hij daarvan gelukkig weer wat op. We konden steeds meer gaan doen en hij kon ook steeds meer. Zo hebben we onder andere veel gefietst, maar dan wel met een tandem. En later hebben we een hond genomen, want dan moest hij wel buiten gaan lopen.”
‘Ik mag door’
“In 2001 kwam hij een keer niet terug van het uitlaten van de hond. Je begrijpt het al: hij was op straat overleden. We hadden juist een reis naar Finland geboekt; hij wilde daar zo graag de langste dag meemaken. Ik ben uiteindelijk toch gegaan, maar achteraf was dat voor mijn reisgezelschap wel lastig: rouwverwerking is een lastig begrip. Toen ik eenmaal begreep dat ik door mocht, vond ik ook dat ik er iets van moest maken. Daar heb ik wel heel erg mijn best voor moeten doen.”
“Drie jaar later trof ik het met een nieuwe partner. Terwijl ik eigenlijk helemaal niet van zwemmen en water houd, was hij enorm bezig met waterpolo. Ik ging wel mee dan, maar ik hield er meer van om samen met hem in zijn camper op pad te gaan. Zo gingen we bijvoorbeeld naar Denemarken en Oostenrijk. We namen wel altijd allerlei omwegen, want het is overal zo mooi als je buiten de doorgaande wegen om rijdt. Samen met hem heb ik daar zo’n vijf jaar van kunnen genieten. Ik werkte toen al niet meer.”
“Opnieuw sloeg het noodlot toe. Dat is nu alweer 16 jaar geleden. Maar ik dacht opnieuw: ‘Ik mag door en dus maak ik er wat van.’”
Vrijwilligerswerk
“Ik heb na mijn werk in De Schuylenburcht veel vrijwilligerswerk gedaan. En dat doe ik nog. Ik was bij de terminale thuiszorg, bij het Touwmuseum. Ik heb natuurlijk opgepast en was actief als taalmaatje en zat in het bestuur van de bridgeclub. Ik vind het nog steeds leuk om verbanden te leggen en dat doe je als je gids bent op de Geelbuik; verbanden tussen wat je ziet en de geschiedenis van Oudewater. Ik geniet nog regelmatig om mensen tijdens een grachtenvaart te vertellen over Oudewater.”
“Ik ben wel bang dat mijn kinderen en kleinkinderen het niet zo goed zullen hebben als wij het hadden. Misschien breekt er zelfs wel oorlog uit. Ik moet er niet aan denken. Ik vind de tijd nu wel erg beangstigend; misschien is onvoorspelbaar een beter woord.” Dat is het; het is zo onvoorspelbaar.”
“Aan de andere kant houd ik wel hoop, want als we door mogen, moeten we er ook iets van maken. Voor iedereen; tenslotte ben ik een wereldburger.”





















