
Goudvis
Door: Otto Beaujon AlgemeenDe metafoor is helaas niet van mezelf, maar ik vind hem te mooi om hem jullie te onthouden. Hij is van Tjalie Robinson, alias Vincent Mahieu, doopnaam Jan Boon. Tjalie, geboren in 1911, was de zoon van een Nederlandse militair en een Javaanse vrouw. Een indo, noemden we onze halfbloeds in de overzeese gebiedsdelen. Tjalie groeide op tussen leeftijdgenootjes: katjangs (twee Indische ouders), indo’s en totoks (twee Belanda ouders). Tjalie werd een bekende Indische schrijver, en één van de weinige die schreef over het dagelijks leven van de avontuurlijke mens. ‘Piekerans van een Straatslijper’ is een bundel dagelijkse belevenissen van schooljongens, jagers, spijbelaars, straatslijpers, vrouwenjagers en vechtersbazen. Alles in een mengsel van Nederlandse en Maleise woorden, en tussendoor eetverhalen waar je het water van in de mond loopt. 80 jaar na 1945 zijn de verhalen van Tjalie (en Vincent Mahieu) nog steeds de moeite waard.
Tjalie moest na de onafhankelijkheid van Republik Indonesia ook naar Nederland, net als alle andere indo’s en totoks. Jarenlang heeft hij hier zijn best gedaan om de cultuur van Nederlands Indië hier voort te laten bestaan met een maandelijks tijdschrift ‘Tong Tong’ en de organisatie van Pasar Malams (Indonesische jaarmarkten). Tienduizenden adepten hingen nog jarenlang aan zijn lippen.
Op zeker moment besloot hij te emigreren naar Californië: zijn vrouw achterna (vrouwen en echtgenotes spelen belangrijke rollen in zijn levensverhaal). Jaren later keerde hij trouwens terug naar Holland en kreeg daar direct een nieuwbouwwoning in Wormerveer (moet iemand uit het buitenland met een kleurtje nu eens om komen!)
Bij zijn vertrek naar Amerika begreep hij wel dat de trouwe lezers van Tong Tong wat uitleg van hem wilden. Hij schreef:
“Wat ik op Holland tegen heb, is niet de set kleinburgerlijkheden, want zulke sets bestaan overal, maar de onontkoombaarheid van de beperkte dimensie. Als ik aan Holland denk, denk ik aan de goudvis die ik eens zag in de tuin van een Chinese miljonair, een goudvis in een limonadefles. Erin gestopt toen hij nog heel klein was en nu zo groot dat hij er nooit meer uit kan. Goed gevoed, water regelmatig ververst, goed beschermd. Niet de eindigheid van het leven van deze vis is beklemmend (want alle leven is eindig) maar de beperktheid van zijn leven terwijl hij nog leeft. En wat doet de Hollandse goudvis? Hij zegt: laat ons zingen in de fles, Oh, Jesus Christ!”
Otto Beaujon







