pr

Haastrechtse Kooren-, Run-, en Oliepaardenmolens (deel 2)

Familie achtergrond van de molenaarsfamilie

Johannes Zijderlaan (1890-1958) was de oudste zoon van molenaar Jan Cornelis Zijderlaan (1866-1936) en Marrigje Maria Verkaik (1863-1891). Kort na Jans eerste verjaardag verdronk zijn moeder in de IJssel, mogelijk in paniek geraakt door een opkomend onweer en had ze zich gehaast om nog een kledingstuk te spoelen in de IJssel.

Op 14 oktober 1891 kwamen notaris Mahlstede, Willem Stout, Aart Roos en koopman Arie Verkaik, voogt van Jan, in het molenaarshuis bijeen. Een inventaris van het huis en een volledige opsomming van debiteuren en crediteuren van de molenaar volgden. Testamentair kwam haar nalatenschap aan Jan toe. Alle in de voor-, woon-, en slaapkamer, keuken, gang, schuur en stal aanwezige huisraad en het goud en zilver werden op achttienhonderdeenenzestig gulden geschat.

Jan Cornelis bracht molen, woonhuis, schuur met machinegebouwen, boomgaard, tuin 48 are en vijftig centiaren in en hij had van diverse klanten nog f 1754,80 tegoed. De hypotheken en leningen van de geldschieters en familie bedroegen fl 26.663,68. Veel van het geleende geld was, gezien de datering van de leningen, gebruikt voor de modernisering van de molen.

In datzelfde jaar verdronk de rentenierende korenmolenaar Andreas Zijderlaan in Stolwijk. Twee jaar daarna trouwde Aagje Zijderlaan, de dochter van Andreas, met haar neef, Jan Cornelis. In 1894 deed Jan Cornelis aangifte van een zoon, Andreas.

Briefverkeer.

Johannes (Jan) Zijderlaan, geboren in 1890, bracht een deel van zijn jeugd door in Nunspeet, waarschijnlijk omdat hij leed aan TBC. Er is een uitgebreide briefwisseling bekend waarin het landleven, het leven rond de molen en het verblijf in een pleeggezin in beeld wordt gebracht.

Uit deze briefwisseling bleek ondermeer dat er 'Franse stenen' werden gebruikt voor de molenstenen en een dagproductie vijfduizend kilo koeken opleverde als voer voor koeien.

In 1907 koopt Maarten Oskam de molen. De volgende molenaars zijn: zijn zoon C.W. Oskam en kleinzoon Maarten Oskam, die er samen met zijn zoon Carel tot de bedrijfsbeëindiging werkten.
In 1930 werd de molen buiten bedrijf gesteld. Nadat in 1936 het wiekenkruis werd verwijderd, werd de molen gebruikt als opslagruimte.

Op de molenromp is na de tweede wereldoorlog een uitkijkpost voor de Korps Luchtwacht Dienst ingericht. Op de romp werd een borstwering geplaatst. Van ca. 1953 tot 1956 maakte de uitkijkpost deel uit van een landelijk netwerk om vijandelijke vliegtuigen te kunnen waarnemen (Koude Oorlog). Met de komst van radar werden de posten overbodig.
De molenromp diende als woning voor de familie Oskam en als onderkomen van veevoederbedrijf Oskam en Zn. Na de sloop van de molen werd het terrein de 'Vingerlinglocatie"'

Zo'n 35 jaar geleden werd de molen van Oskam gesloopt na 46 jaar onttakeld aan de IJssel te hebben gestaan. Of op deze plek eerder een molen stond is niets bekend. De molen werd op een verhoging gebouwd (op zgn. poeren) om minder last te hebben van de waterstand in de IJssel. Destijds stond dit deel van de IJssel in open verbinding met zee en was er sprake van hoog en laag water. Na de bouw van de Waaiersluis was dit voorbij.

Oliepaardenmolen/Rosmolen

Jan Aelbertsz uit Hoenkoop vroeg op 29 maart 1607 een vergunning voor het bouwen van een oliepaardenmolen in Haastrecht en was daarmee de tweede molen, die uit het archief naar boven kwam. Met de oliepaardenmolen werd hennepzaad fijngemalen ter vervaardiging van lijnzaadolie.

Op deze molen werd uit lijnzaad, raapzaad en koolzaad olie gewonnen voor huishoudelijk gebruik of voor de vervaardiging van zeep en verf. De oliepaardenmolen was een zogenaamde rosmolen. Dit ros (paard) liep in de kollergang rond en bracht hierdoor de pletstenen, het vuistermes en de slagheien in beweging. De zaden werden geplet onder twee kantstenen, die ieders een doorsnede van anderhalve meter hadden en twee duizend kilo wogen. De stenen rolden over een gemetselde fundering, het zogenaamde doodbed.

Het geplette zaad werd dan in een vuisterpan op een met turf gestookt fornuis verhit, in bulen gestopt en in de perskamer geplaatst. Door een stelsel van wiggen werd de olie eruit geperst en in koperen bekkens opgevangen. In de bulen bleef het materiaal voor de lijnkoeken over: veevoeder.

  1. Bronnen:
  2. Dr. H.J.C. van Herwaarden-Rijlaarsdam/Boek Pater Bakker/Molendatabase.org
  3. Fam. Oskam./Archief Midden-Holland /H.E.K./(www.gahetna.nl/index Grafelijkheidsrekenkamer, windrechten molens)

Een molenaar onder curatele

door Bert Stolwijk

Aart Nieuwburg, die in 1757 werd geboren als zoon van Hendrik Nieuwburg en Lijntje Keesjebreur, was molenaar van de Haastrechtse korenmolen. Deze molen, die Aart in 1782 erfde van zijn vader, was een stenen stellingmolen, die stond aan het westelijk eind van de Hoogstraat zuidzijde. Behalve koren werd er in de molen ook eikenschors vermalen. Het resultaat van de gemalen eikenschors, run genoemd, werd onder andere gebruikt bij het looien van leer. De molen brandde af in 1858.

Aart bewoonde een huis aan de noordkant van de Hoogstraat, westelijk van het huis van de familie Bisdom. Daarnaast was hij eigenaar van een huis aan het Kerkhof, een boomgaard in de polder Galgoord en twee stukken land in Beneden Haastrecht, respectievelijk met een omvang van ruim vier en twee mergen. Hij was gehuwd met Maria Spruijt, die hem 12 kinderen schonk. Naast zijn maalloon genoot Nieuwburg van september 1787 tot en met januari 1795 inkomsten uit de functie van waagmeester, die hij vervulde tijdens de afwezigheid van Adrianus van der Dussen. In de jaren 1788 tot en met 1794 was hij schepen en van mei 1792 tot mei 1794 tevens waardsman.

Ergerniswekkend gedrag

Dat het niet helemaal goed meer ging met Aart Nieuwburg, lezen we voor het eerst in de notulen van de gereformeerde kerkenraad uit 1798. Op 25 maart werd Nieuwburg door de kerkenraad eenmalig uitgesloten van deelname aan het avondmaal, wegens ergerniswekkend gedrag. Nieuwburg weigerde zich hierbij neer te leggen, tenzij er door de kerkenraad een schriftelijk en gezegeld verzoek zou worden gedaan. Dit werd uiteraard geweigerd en het gelukte predikant De Heer pas na dreiging met disciplinaire straf (de 'censuur') om Nieuwburg te bepraten.

Op 27 oktober van datzelfde jaar besprak het stadsbestuur een brief, die was geschreven door Maria Spruijt, de echtgenote van Aart Nieuwburg. Maria beklaagde zich over het slechte gedrag van haar man, te weten zijn dronkenschap en het verkwisten van geld en goederen. Haar klachten werden onderbouwd door verklaringen van buren, huisgenoten et cetera. Maria verzocht toestemming om op eigen kosten haar man in een "verbeterhuis" te laten opnemen, net zo lang tot hij blijk van beterschap zou geven. De municipaliteit had daartegen geen bezwaar en Maria, haar vader Gijsbert Spruijt en haar zwager Jan Ketel werden gemachtigd om de goederen van Aart te beheren.

Naar het dolhuis

De familie Spruijt lier er geen gras over groeien. Aart Nieuwburg werd een dag later al opgenomen in het Cecilia gast- of dolhuis in Leiden. Drie maanden later, in januari 1799 schreef Aart een brief aan de municipaliteit van Haastrecht. Hij had, schreef hij, veel spijt van zijn wangedrag en had tevergeefs geprobeerd om weer bij zijn familie in de gunst te komen. Hij voelde zich nu verbannen uit de maatschappij en beroofd van de mogelijkheid om "met mijne hande de kost te mooge winnen en met daaden te toonen een afkeer te hebben van mijn vorig wangedrag". De municipaliteit gaf de brief, waarmee zij natuurlijk niets kon beginnen, door aan Nieuwburgs familie, met verzoek om een reactie. Die reactie kwam van Maria Spruijt, die het het "uiterst dwaas en onvoorzichtig" vond om iemand die slechts drie maanden opgesloten is geweest, zomaar, "de but en blanc" op grond van enkele beloften en "streelende voorgeevens en vooruitzichten", vrij te laten. Men moest, meende zij, in gedachten houden wat daarvan de gevolgen zouden kunnen zijn. Bovendien zou daarmee de gesloten overeenkomst met de municipaliteit in een "ridicul" daglicht worden geplaatst.

Zwager Jan Ketel en diens vrouw Petronella Nieuwburg hadden een iets andere mening over de zaak. Ketel schreef aan de municipaliteit dat hij ervan overtuigd was dat Aart zijn oude levenswijze vaarwel had gezegd en dat hij had beloofd zich na zijn vrijlating te zullen gedragen zoals een braaf man behoorde te doen. Ook zou hij zich wat meer gaan richten op het welzijn van zijn gezin. Ketel was er dan ook voor om Nieuwburg vrij te laten en hem dan nog enige tijd onder curatele te stellen. De municipaliteit was het met Ketel eens, ondanks de bedenkingen van Maria Spruijt, die vreesde dat haar man weer zou terugvallen in bovenmatig drinken en het verwaarlozen van zijn zaken. Zakelijk gezien viel er door Aart Nieuwburg overigens weinig meer te verwaarlozen. Onder de schulden die hij had gemaakt, bevond zich een lening van drieduizend gulden, die hij voor juli 1799 had moeten terugbetalen. Hij gaf daarvoor zijn korenmolen, huis en pakhuis in onderpand. Liever dan deze bezittingen kwijt te raken aan een vreemde, verkocht hij in november 1798 zijn molen cum annexis aan zijn schoonvader Gijsbert Spruijt, voor achtduizend gulden. Spruijt verhuurde vervolgens de molen weer voor 450 gulden per jaar aan zijn dochter Maria.

Rehabilitatie?

Op 11 augustus 1799 verscheen Aart Nieuwburg voor de municipaliteit met het verzoek om de ondercuratelestelling op te heffen. Om daarover te kunnen beslissen moest de municipaliteit eerst onderzoeken hoe Nieuwburgs gedrag in de laatste tijd was geweest. In de familie was inmiddels wat onenigheid ontstaan over de vraag of Aart nog langer onder curatele gesteld moest blijven. Petronella Nieuwburg liet weten dat zij bereid was om te verklaren dat het gedrag van haar broer "honorabel" was. Zij verzocht om rehabilitatie. Haar man stond achter dit verzoek en verbaasde zich erover dat Maria's vader Gijsbert Spruijt vooralsnog niet wenste te reageren.

De municipaliteit oefende nu wat druk uit op vader Spruijt om van hem een antwoord te krijgen. Deze bagatelliseerde in zijn antwoord de verklaring van schoonzoon Ketel door te wijzen op diens "maritale inschikkelijkheid". Later zou Ketel toegeven dat hij het verzoek van zijn vrouw had gesteund "omdat men veel moet doen om zijn huiselijk genoegen". Samen met dochter Maria betoogde Gijsbert Spruijt dat Aart Nieuwburg zelf 'rondborstig' zou hebben verklaard dat hij onder curatele gesteld wenste te blijven en dat de brief van zijn zuster met Aarts medeweten was geschreven om eens te zien 'wat er van worden zou'. De municipaliteit wees nu het verzoek van Petronella af.

Een scheiding

In 1803 wendde Maria Spruijt zich opnieuw tot de municipaliteit met een verzoek om toestemming voor een scheiding van 'bed, tafel en bijwoning en goederen', wegens het voortdurend slechte en onbehoorlijke gedrag van haar man. Als dat niet kon, dan wilde ze Aart weer laten opsluiten. De municipaliteit besloot eerst eens met de echtelieden te gaan praten. Aart zag aanvankelijk niets in een scheiding, maar een maand later gebruikte hij het voornemen om van zijn vrouw te scheiden als aanleiding om opnieuw zijn ondercuratelestelling aan te vechten. De scheiding werd uiteindelijk ook doorgevoerd.

  1. Bronnen
  2. Rechterlijk archief Haastrecht:
  3. Inv. nr. 4, ingekomen bij en minuten van uitgaande stukken van het gerecht 1579-1811.
  4. Inv. nr. 151, transporten: nalatenschap Hendrik Nieuwburg.
  5. Inv. nr. 152 minuutakten van transporten 1789 - 1798, p.165v., p. 167r. e.v.;
  6. Inv. nr. 153, minuutakten van transporten, akte 27-6-1799.
  7. Archief NH kerk Haastrecht:
  8. Handelingen van de kerkenraad januari 25 maart en 3, 4, 5 en 15 april 1798.
  9. Resolutien van het Intermediair Administratief Bestuur van het voormaalig Hollandsch Gewest van 1 tot 30 november 1798, Den haag, 's Lands Drukkerij 1798.
  10. Stadsarchief:
  11. Inv. nr. 18, resoluties en notulen van de vergaderingen van schout en de municipaliteit 1797-1799, notulen 27 oktober 1798, 2 februari 1799, 11-8-1799, 23 maart, 2 april en 7 mei 1803.
  12. Inv. nr. 19, resoluties en notulen van de vergaderingen van schout en de municipaliteit 1799-1804, notulen van 3 en 21-10-1799.

Rob Anders

Meer berichten