
Papieren boeken
Door: Otto Beaujon ColumnOver papieren boeken gesproken: vaak zijn het tastbare hulpstukken bij onze herinneringen.
Ik was zes jaar oud en ging met de bus naar school. Op een dag zat ik op de terugweg naast een dik meneertje met een regenjas, een bril en een hoed. Hij begon een praatje, en ik vond het wel een aardig meneertje. Hij moest er bij dezelfde halte uit als ik. Dat herhaalde zich een paar keer, en enthousiast vertelde ik mijn moeder over mijn nieuwe 'vriend'. Moeder werd daar niet meteen opgewonden van, maar vond het toch beter als ik voortaan in de bus niet meer naast het meneertje ging zitten. Wat was er mis met het meneertje? Het meneertje kwam uit België en hij had het iets te veel op met de Duitsers ('Duitser' was bij ons thuis toen een erg vies woord), en het meneertje had daar van alles over opgeschreven en daarvoor had hij twee jaar in de gevangenis moeten zitten. En daarom was dat meneertje die Wies Moens heette uit België gevlucht en bij ons in het dorp en bij mij in de straat, een paar huizen verderop aan de overkant komen wonen. Waar dan? Naast Jo Erkens, zei moeder, maar laat meneer Moens nou verder maar met rust. Wat heeft hij dan geschreven? Van alles en nog wat, maar steeds over hetzelfde, dat Duitsers en Nederlanders en Vlamingen eigenlijk één volk zijn. Wat zijn Vlamingen? Dat zijn Belgen die geen Frans spreken. Madam DeCoster die voor tante Maria het eten kookt is een Vlaming, en Mariëtte en alle werkmannen in de fabriek van oom Emile zijn Vlamingen. Op zolder staat wel een boekje van meneer Moens, hij heeft dat geschreven toen hij in de gevangenis zat, en dat moet je later maar eens lezen.
Wie Wies Moens precies was en wat hij schreef leerde ik later. De dorpsgenoot die wegens het uitdragen van de groot-Dietsche gedachte in België na 1945 zelfs bij verstek ter dood veroordeeld was, was op tijd de Maas overgevaren en had zich gevestigd in Neerbeek, ons dorp. Hij was directeur van de Volkshogeschool in Geleen, en daarom zat hij dagelijks in de bus. Dat hij nog aanhang had, merkten we tweemaal per jaar: met zijn verjaardag (in de winter) en op 11 juli (de Vlaamse nationale feestdag). Dan kwamen er tientallen auto's met luidruchtige Belgen met gele vlaggen met een zwarte leeuw er op naar ons dorp en deden de cafés goede zaken.
Nog niet zo heel lang geleden vond ik op de Goudse rommelmarkt nog een boekje van Moens. Het heet: Dertig Dagen Oorlog. In oktober 1940 uitgegeven bij Het Spectrum in Utrecht, in grijs linnen gebonden. In het boekje beschrijft Wies Moens het dagelijks leven in en om zijn Vlaams dorp tussen 10 mei 1940, de dag waarop de Duitsers bij Gemmenich het land binnen marcheerden en 10 juni, toen de troepen de kust bereikten. Geen Duitse bombardementen op België, terugtrekkende Engelse en Franse bezettingstroepen en daar tussendoor het evangelie van de Germaanse volkeren, terwijl de Duitse soldaten sigaretten en chocolade uitdeelden aan de Vlaamse bevolking.
Dat boekje krijgt een blijvend plekje helemaal aan de rechterkant van mijn boekenkast.
Otto Beaujon







