<p pstyle="BODY">Astrid rijdt twee keer per maand op de dierenambulance.<br>Dieren helpen - die zelf geen stem hebben - is haar passie.</p>

Astrid rijdt twee keer per maand op de dierenambulance.
Dieren helpen - die zelf geen stem hebben - is haar passie.

(Sjoukje Dijkstra)

Astrid rijdt op de Dierenambulance

‘We hebben veel vrijwilligers nodig, vooral telefonistes’

Gisteren was het dierendag, maar voor Astrid de Heer uit Linschoten is het elke dag dierendag. De dierenliefhebster die twee keer per maand op de dierenambulance rijdt, heeft zelf twee hondjes en een kat. Toen ze met pensioen ging, besloot ze om te solliciteren als vrijwilliger bij de Dierenambulance. Daar zit ze nou inmiddels 2,5 jaar op. Hoe een 24 uursdienst eruitziet, vertelt ze graag...

“Door corona is het ‘s nachts rustiger. Mensen zijn niet zo laat bij de weg... en meldingen van aangereden katten langs de kant van de weg krijg je dan minder. De Dierenambulance telefoon ligt naast mijn bed. Ik ga gewoon slapen. Maar slaap wel wat lichter als ik dienst heb. Soms kan het gebeuren dat de telefonist belt, omdat er een loslopende hond is gevonden of een hond of kat gewond is geraakt door een aanrijding. Dan is het spoed. Als het een dood dier is, kan het wachten tot de volgende dag. Ligt er een dode kat vlak bij een school of waar veel mensen zijn, dan is de afspraak dat we hem zo vroeg mogelijk weghalen.”

Telefonistes gevraagd

Het werk dat zij doet als Dierenambulance chauffeur is populair. Er is zelfs een wachtlijst voor de ambulance. Astrid zegt: “Ik moet daarbij zeggen: de ambulance kan niet rijden zonder de telefonistes. Als je het alarmnummer belt, moet daar iemand klaar zitten, die de melding aanneemt en bekijkt wanneer de ambulance ingezet moet worden. Zij bellen ons vervolgens door waar we heen moeten. Hebben we geen telefonistes, rijdt de ambulance niet. Momenteel hebben we een tekort aan telefonistes. Dus, zou ik iedereen willen oproepen om zich als vrijwilliger daarvoor op te geven!”

Om als vrijwilliger voor de Dierenambulance te werken, moet je wel een hart hebben voor dieren. “Als chauffeur moet je er tegen kunnen om dode dieren aan te raken. Natuurlijk mét handschoenen. Maar het hoort erbij. Een van de eerste dieren, was een dode kat die in het water lag en al in verre staat van ontbinding was.” Bij de Dierenambulance gaan dode huisdieren zonder chip in eerste instantie voor maximaal twee weken de vriezer in. In die periode probeert de stichting om het baasje te traceren. “We vinden het toch het fijnst als de eigenaar gevonden wordt. Laatst had ik een dode kat met chip tijdens mijn dienst. Toen ik de eigenaar belde, was ze compleet overstuur. Ze was hem al een poos kwijt namelijk. Ik heb de kat gebracht, en ze heeft de kat gehouden tot de partner thuiskwam. Die wou de kat ook nog even zien. In sommige gevallen laten eigenaren de huisdieren begraven op een speciale dierenbegraafplaats of cremeren.”

Mechelse herder

De Dierenambulance is er in feite alleen voor de kleinere dieren: gevogelte (wild en tam), honden en katten, maar ook wilde en tamme knaagdieren, bijvoorbeeld hazen, bunzings, fretten en cavia’s en hamsters maar ook egels. Astrid zegt dat een chauffeur op de Dierenambulance niet bang aangelegd moet zijn: “Soms heb je een agressieve hond. Tijdens mijn tweede of derde dienst, hadden we een Mechelse herder, die was achtergelaten op een parkeerplaats in Nieuwegein. Die hond was alleen agressief naar mannen toe. Dan kun je misschien wel raden dat zijn mannelijke baasje niet zo goed is geweest voor hem.”

Haar meest bijzondere dienst kan Astrid zich nog goed herinneren: “Dat was op een adres waar de eigenaar al zes dagen dood in huis had gelegen. Daar waren drie honden in huis en twee vogels. Een hondje was er heel slecht aan toe. Toen we aankwamen was de recherche nog bezig met onderzoek. Toen we naar binnen mochten van de politie, was dat ene hondje inmiddels overleden. Het gebeurde niet zo lang geleden, en heeft enorme impact gehad. Gelukkig was het met de andere twee hondjes en de vogels wel goed.”

Koekoek

Astrids hart gaat altijd sneller kloppen als ze roofvogels tegenkomt. “Vaak is dat een sperwer of een uil. Een keer had ik een koekoek. ‘Dat komt nooit voor’, zei de telefoniste. Dus, ik dacht ook: ‘Het zal wel wat anders zijn.’ Maar het was toch echt een koekoek, die niet meer vloog. Ik heb toen de vogelopvang gebeld, die allemaal heel enthousiast waren. Het is zo’n prachtvogel. De gevonden koekoek was mager en verzwakt. Ze doen er dan bij een vogelopvang alles aan om zo’n vogel weer de natuur in te krijgen.” Als degene die als eerste het gewonde dier ziet, moet Astrid ook wel in korte tijd snel kunnen beslissen wat er met een dier moet gebeuren. “Is het gewond? Moet het naar de dierenarts of kan het naar het asiel of wildopvang? Zo had ik laatst een haas. Die zat helemaal verstard aan de kant van de weg. Hij ademde heel hoog, en bewoog verder niet. Ik kom hem zo oppakken en in de draagmand doen. Toen heb ik de wildopvang gebeld en met de dierenarts gesproken. Die gaf aan dat het beest waarschijnlijk in shock was. Misschien wel van een aanrijding. Dan probeer je zo goed mogelijk te beschrijven wat je ziet... en dan acteer je daarop. Is het opgegeven zaak? Dan moet de dierenarts euthanaseren.” Astrid vertelt dat ze ervoor koos bij de Dierenambulance te gaan werken, omdat ze iets wilde doen voor dieren. “Ze kunnen niet praten en niet om hulp vragen. Om op deze manier hulpeloze dieren te helpen, is dan heel mooi. Bovendien, ben ik op de Dierenambulance lekker buiten bezig en op de weg. Dat ligt mij goed.”

Voor meer informatie: www.dierenambulance.nl

Sjoukje Dijkstra

Meer berichten