Driekoningen

Fiets perfect in orde, vleugje vaseline, de compressor bromt de banden op druk, dopjes. Mijn conditie is nog in winterslaap, en het regent. Maar het moet. Handschoenen, muts, helm, klaar voor vertrek, een grote witte auto met een zwarte man achter het stuur rijdt onbesuisd, in elk geval met een snelheid die in Oudewater niet past in de eerste de beste bocht krap langs mij heen en werpt een fontein ijskoud water over me heen. Linkerhand nu nat, weldra zeker ook koud, broek, linkerschoen.

Zeker één van de drie koningen onderweg naar zijn eerste afspraak van het jaar. Koning Alex zal er maandag ook zijn, en in gedachten zie ik een derde koning met Delfts lauwe schoenen. Hoewel: het kan tegenwoordig natuurlijk net zo goed een Koningin zijn. Een harde zuidwestenwind rukt aan m’n spullen, regen kletst in mijn gezicht.

Ik, verstrooide professor, bedenk ineens dat ik mijn mondkapje nog op heb. Ik frommel het in mijn zak, waar al twee eerdere lichtblauwe, een zwarte en een kleurige custom made in Afrika van de Wereldwinkel zitten. Het dwarsstukje van de Damweg voorbij Jan Hoogenboom geeft even rust; de gierende wind is ineens weg, een steuntje in de rug tot aan het parkeerplaatsje bij het wandelpad en dan weer de bocht in met de wind vol op kop. Huize Geertje staat in de steigers, de stem in mijn bluetooth zegt ‘opschieten een beetje’. Langs de Wetering richting Polsbroek nog steeds tegenwind. Kinderen bij het schooltje laten ballonnen op, maar ze worden zó snel nat dat ze niet willen opstijgen, en afdrijven op het water waar ze als grote gekleurde schuimbellen richting Benschop varen. Tandje terug. Het lijkt wel of de wind aanzwelt. Andere fietsers rijden me voorbij, elektrisch.

Bij Bed & Breakfast Apud nos Domi staat een wintercaravan. De mensen staan in hun T-shirt, weliswaar in de luwte van hun rijdbaar onderkomen, maar ze hebben het zichtbaar koud. Door mijn natte bril ik kan de boodschap op hun shirts niet lezen. Ze applaudisseren, en na het voorbijrijden van de eenzame fietser gaan ze schielijk weer naar binnen. In Polsbroek ter hoogte van het oude smederijtje van schaatsenmaker Schakel opnieuw een oproep in mijn oortje: ‘voortmaken een beetje’.

Twee zilverreigers verder kom ik bij de Vlisterbrug. Daar moet ik rechtsaf richting Haastrecht. Bij de Vlister IJsclub waar vroeger Hein Vergeer en Leo Visser trainden, wachten ze me op: twee lanciers in vol ornaat. Een hulpje neemt mijn fiets van mij over, en droogt met zijn mondkapje mijn zadel af. Dat moet ik straks melden bij het meldpunt voor verdachte contacten, schiet het door mijn hoofd, niet vergeten, die viezerik

‘t Is bijna sleuren, hoe de twee Zwitserse gardes me bijna naar binnen begeleiden: ‘wat ben je lààt!’ Ik weet niet wat er gebeurt, ik krijg een blinddoek voor. We schuifelen een paar passen, ze doen mijn blinddoek af en daar staat in volle glorie doctorandus Irene Decupree van de Best beddenfabriek voor mij. Het bed is gespreid. ‘Doe onmiddellijk die natte spullen uit’, commandeert Irene. ‘Genade!’ roep ik, ‘genade mevrouw, ik heb vanochtend vergeten mijn viagrapil in te nemen, u hebt de verkeerde voor, mag ik-’

Gelukkig word ik op tijd wakker.

Otto Beaujon

Inhoud, standpunten en meningen in een column zijn van de auteur en niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de redactie of de uitgever.

Meer berichten