Nog niet - deel 2

De Herman de Manmaand afgelopen zomer eindigde met de verhalenwedstrijd Nog Niet. Waarom deze titel Nog Niet? Nog Niet refereert naar het einde van elk boek van Herman de Man. Daarmee wilde hij aangeven dat het boek nog niet de kwaliteit had waar hij naar streefde.

Herman de Man zet in zijn boeken een tijdsbeeld neer van de Lopiker- en Krimpenerwaard aan het begin van de vorige eeuw. Het waren geen zoetsappige verhalen die hij schreef. De Herman de Manorganisatie vroeg zich af of er schrijvers zijn die de huidige tijd in de Lopiker- en Krimpenerwaard in verhalen konden vatten. Ze schreef daarom een schrijfwedstrijd uit onder de titel Nog Niet. De opdracht was een actueel streekverhaal te schrijven met thema’s van nu.

Er kwamen twintig inzendingen. Maria Glissenaar-Bierlaagh (90) uit Montfoort was een van hen en ontving van de jury een eervolle vermelding. Hieronder volgt haar verhaal.


Nog niet

Ze stond tussen familieleden bij het nog open graf van haar vader. Ze staarde naar de grond onder haar voeten, haar gedachten bij vroeger. Af en toe drong het geluid van auto’s tot haar door. Een briesje speelde met het zwarte lint van haar zwarte hoed. De dominee sprak luid en monotoon: “In het diepste van de aarde daalt deze mens af, zoals wij allen ooit zullen afdalen. Gods gramschap komt over onze zondigheid. Slechts een enkele mens is uitverkoren. Het oordeel is aan de Here.” Ze ving ‘zondigheid’ op: dezelfde intonatie als vroeger. Het deed haar niets meer.

Bij de condoleance in de kerkzaal stak ze mechanisch haar hand uit.

Ze ging met haar broer en zijn vrouw en haar drie oudere zussen terug naar de ouderlijke boerderij. Na de dood van haar moeder waren haar broer en schoonzus bij haar vader ingetrokken. De uitbundig bloeiende bomen en de milde voorjaarszon die door de ramen van de auto scheen, ontdooiden haar.

Ze ging meteen naar de opkamer achter de keuken. “Wat ga je doen?”, vroeg Cato. “Me omkleden.” Ze deed geen moeite de zwarte jurk en kousen op te vouwen. Nu hij dood is: in de vodden ermee. Nel, haar één jaar oudere zus, stak haar hoofd om de deur die ze op een kier had laten staan. “Hé, ben jij je ook aan het verkleden? Nou, ik doe die zwarte rommel ook uit.” “Heb jij er ook zo’n hekel aan? Dat wist ik niet. Ik dacht dat jij altijd donker droeg.” “Wel nee, alleen als ik naar pa ging of naar jou of anderen. Maar ik wist van jou niet…” “Pa hield ons in bedwang”, zei ze heftig. Ze schrok van zichzelf. Zachtjes liet ze erop volgen: “Wat weten we eigenlijk van elkaar?”

Haar schoonzus zette broodjes, kaas en een kan koffie op tafel. Nu pa er niet meer was hoefde de tafel niet uitgeschoven te worden. Zijn stoel met ronde armleuningen, die plaats innam voor twee, was weggezet in de donkerste hoek van de kamer. Het viel haar tegen dat het gesprek met elkaar ook nu niet lukte. Was hij nog niet ver genoeg weg, was hij nog niet genoeg dood? Waren ze nog niet bevrijd, was ze zelf nog niet bevrijd?

“Ik loop even naar buiten”, zei Cato. Dora en Nel en ook zij stonden eveneens op alsof ze door een zelfde drang gedreven werden en volgden Cato. Vier zwijgende gestalten, twee in het zwart, twee in pasteltinten, liepen achter elkaar over de deel, over het brede erf met de schuren en door de boomgaard met de oude appel- en perenbomen. Cato duwde het hek open dat knarsend meegaf. Eén voor een stapten ze in het hoge gras van de Broek, het restant van een vroeger moerasje vol pijpenkruid, paardenstaarten en boterbloemen.

Ze zakten naast elkaar neer in het gras. Ze keken elkaar niet aan, maar staarden naar de brede poldervaart, recht voor hen. Cato verbrak het zwijgen: “Weten jullie nog dat pa altijd zei: “Dit stuk grond is waardeloos, je kan er nog geen geit neerzetten.” “En moe zei dan: man, het is het mooiste en rustigste stukje buiten dat we hebben”, zei Nel. Zij zei: “Het was bijna de enige keer dat ze hem tegensprak.”

Ze voelde dat haar zussen verkrampten.

“En op zondagmiddag zette moe voor zichzelf hier een stoeltje onder een boom en legde voor ons een kleed op de grond”, bracht Cato snel uit. “Op andere dagen kwamen we hier nooit uit ons zelf”, bitste Dora.

“Nooit!”, herhaalde ze nijdig.

Nu keek ze wél naar haar. Dora tuurde met half toegeknepen ogen naar rechts. Ook zijzelf had hem al gezien toen Cato het hek openduwde: pa’s boot, de ‘Ora et Labora’. “Hij ligt er nog steeds”, wrong ze uit haar mond. Cato schoof dichter naar haar toe. Even ritselden de bladeren boven hen.

“Moe heeft me verteld dat ze de boot nooit van binnen heeft gezien”, zei Nel. “We mochten ook nooit alle vier tegelijk met pa mee in de boot”, zei Cato. Dora riep: “Nee, natuurlijk niet!”

In de verte klonk het alarmsignaal van de onbewaakte overweg. Hoog in de lucht bad een buizerd, zijn kop met kromme snavel al in de aanval.

Als een ratel gooide ze eruit: “in de boot trok pa zijn broek uit en dan…”

Haar zussen sprongen op als door een angel gestoken en schreeuwden: “Nee, nee, hou op, hou op, zeg het niet!” Ze pakten elkaar vast en liepen voor het eerst van hun leven, dicht tegen elkaar aan, de armen over elkaars schouders, samen naar de boot, alsof ze langzaam werden voortgeduwd.

Nog altijd dezelfde gordijntjes waardoor niemand naar binnen kon kijken.

“Eén keer is het me gelukt me los te rukken”, zei Nel.

“Even wachten!” Dora rende terug naar het hek. Ze zagen de zwarte figuur tussen de bomen verdwijnen.

“Gevonden”, riep ze uit de verte, zwaaiend met een bijl. Met forse stappen kwam ze terug en liep naar de aanlegsteiger. “Kom op jullie”, schreeuwde ze. “Hier, jij ook een bijl, jij een hamer, jij een zaag. En nu aan het werk”, commandeerde ze.

Meer berichten