Het onbekommerde jongensleven (deel 1)
<p pstyle="BODY">Bij zijn eerste fietsles werd de schrijver ondersteund door zijn moeder.</p>

Bij zijn eerste fietsles werd de schrijver ondersteund door zijn moeder.

(pr)

Het onbekommerde jongensleven (deel 1)

Ach ja 'Ferme jongens, stoere knapen' wilden we zijn in de tweede helft van de vorige eeuw. Echte jongens! Als je katholiek was, ging je zelfs naar de jongensschool waar behoudens een verdwaalde juffrouw in de eerste twee klassen vooral meesters les gaven. Met meisjes had je niks. Die onderwijzers waren ook niet misselijk in hun manier van orde houden. Als je iets deed dat hen niet aanstond, kon je een flinke klap krijgen. En kwam daar thuis niet mee aan. "Je zal het wel verdiend hebben" was het stereotiepe antwoord en daar kon je het mee doen. Niet zeuren maar poetsen. Nee, als jongens van de vorige eeuw moest je zelf je weg zoeken en goed voor jezelf opkomen. Daar hadden je ouders geen tijd voor. Die waren druk met de wederopbouw. Daardoor had je alle vrijheid je eigen weg te zoeken. Natuurlijk: kinderen van middenstanders en boeren werden, zodra ze thuis kwamen, onmiddellijk ingeschakeld om bij te springen, maar ook zij konden echt genieten van 'een onbekommerde jeugd'. Er was eenvoud, er was weinig openlijke agressie en de straten waren nog leeg. Er was ruimte om te spelen en die ruimte gaf rust. De zintuigen hoefden geen topsport te bedrijven zoals tegenwoordig door de bombardementen van o.a. appberichten op de smartphone. De zintuigen konden in alle rust waarnemen.

De snelste

De meeste jongens hadden een grote fascinatie voor auto's en probeerden tijdens het spel daarbij in de buurt te komen. Zij reden meestal in zelfgemaakte bolderkarren of skelters. Veel onderdelen kwamen van de kinderwagen waar je nog niet zo lang geleden in werd rondgereden. Trapauto, loopauto en autoped! Het woord 'auto' stond er niet voor niets bij. Voor je aan je eerste fiets toe was, had je al een hele vloot aan rijdend materieel versleten. Wedstrijden werden er mee gehouden. Wie had de mooiste kar en vooral: wie was de snelste? En dan eindelijk die eerste fiets. Fietsen moest je toen nog echt leren. Ondersteund door je vader of moeder werden de eerste meters in de straat afgelegd. 's Avonds, als je binnen moest blijven, ging je spelen met je Dinky Toys: de Mercedes onder de speelgoedautootjes.

Laatste hele of bruggetje sluit

Altijd was je buiten op straat. De Babyboomers en de jongens uit de jaren '60 waren, als ze niet op school zaten, in de straat en op de pleintjes te vinden. Alleen als het regende en als het donker was, speelde je binnen. Kinderen die niet zo vaak buiten speelden, werden 'huismussen' genoemd. Precies het tegenovergestelde met de kinderen van deze eeuw. Zij spelen vaak binnen waar ze van alles omhanden hebben en gaan met hoge uitzondering eens naar buiten.

Vriendjes zat! Vooral in de nieuwbouwwijken die na de oorlog uit de grond werden gestampt. Ik woonde in de wijk Oog in Al in Utrecht. Allemaal jonge gezinnen met veel kinderen, zodat het nooit een probleem was om vriendjes te vinden. Zo ook in Oudewater.

Herman van der Klis: Oudewater was in de naoorlogse jaren de helft kleiner dan nu. De wijk van de Oude Singel en de straten eromheen, was de eerste nieuwbouw buiten de oude stadsgrenzen. In de jaren '60 kwam daar de "de nieuwbouw", zoals iedereen zei, bij. Van Swietenstraat, Brede Dijk, Herman de Manstraat, Hendrik van Viandenstraat enz. Het waren allemaal zeer kinderrijke buurten. We speelden op straat maar vooral op pleinen, in plantsoenen en in weilanden. Wij, van de Oude Singel, hadden het Albert Plesmanplantsoen om ons te vermaken. Ook aan de overkant van de Oude Singel en dan met name de boerderij en weilanden van boer Kees Boere waren ons domein.

In het Plesmanplantsoen werd er bijna dagelijks gevoetbald. Soms werden er partijtjes gespeeld tegen andere straten en buurten. Op een dag voelden we ons zo sterk dat wij een duel aan wilden gaan met de Oude Singel-jongens van Goudriaan en hun buurjongens. Zij waren weliswaar een paar jaar ouder, maar dat was voor de meesten van ons geen probleem. Voor de zekerheid gingen we toch een keer kijken naar een onderling partijtje van de Goudriaantjes. Op het plein van de gymzaal - waar nu het gezondheidscentrum is gevestigd - ging het er stevig aan toe. Langzaam groeide de twijfel bij mijn vrienden André Koops, Hans de Bruijn, Hans Nederend, Gijs van Zandwijk, Ton Pardoel en onze jongere broers. Nadat wij één van onze toekomstige tegenstanders een sliding op de tegels zagen nemen, haakten wij verschrikt af.

Twee opgefrotte jassen als doelpaal en een flink stuitende plastic bal was voldoende voor een flinke tijd spelplezier. Eerst moest er getost worden. Twee jongens werden gekozen om dat klusje te klaren. En dat ging met de schoenen: "Laatste hele of bruggetje sluit". De winnaar had de eerste keus. De besten gingen er natuurlijk als eerste uit en de zwakke spelers werden dan ook steevast als laatste gekozen. Achteraf gezien moet dat voor hen geen leuke ervaring zijn geweest. Dan werden de regels afgesproken: met of zonder 'vliegende keep' en 'drie corners penalty'. Daarna kon de strijd beginnen en leefden wij ons heerlijk uit. Er was geen scheidsrechter: dus discussies of hij wel of niet zat kwamen regelmatig voor, maar het ontaardde nooit in slaande ruzies. We konden helemaal opgaan in het spel, maar moesten wel oppassen voor de 'balafpakkers', want de bal kwam nog weleens in een tuin terecht waar een ravage kon worden aangericht tussen de dahlia's. De eigenaar nam dan al snel de bal in beslag en was de strijd tot een voortijdig einde gekomen. De hele strenge 'balafpakkers' sneden hem kapot, bij anderen mocht je de bal drie dagen later weer ophalen.

Als je wat ouder werd, mocht je op voetbal. Dat betekende in Oudewater dat de katholieke kinderen naar Unio gingen en de protestanten en andersdenkenden naar O.V.S. Dan voelde je je pas echt een voetballer. Met echte voetbalschoenen in je sporttas naar het veld, dan hoorde je er pas echt bij. Je wilde net zo goed worden als Abe Lenstra, Faas Wilkes, Cor van der Hart, Tonny van de Linden of Frans de Munck. Je spaarde plaatjes van je voetbalhelden. Toen ik 10 jaar was, mocht ik zelfs voor het eerst naar deze kanjers gaan kijken. Ik woonde in Utrecht en ging de ene zondag naar D.O.S. en de andere naar Elinkwijk. Beide ploegen speelden toen in de eredivisie om de week thuis. Alle wedstrijden begonnen om 2 uur. Wat een verschil met nu waarop van vrijdagavond tot zondagavond de wedstrijden zijn gepland. Er was zelfs een aparte tribune voor ons: de jongenstribune. Een kaartje heette dan ook een 'jongenskaartje'. Meisjes gingen niet naar het voetballen. Dat hoorde niet!! Voetbal was een veel te ruw spel voor meisjes, vond men in die jaren.

Buitenspelletjes

Als er niet gevoetbald werd, waren er nog genoeg andere buitenspelletjes voor jongens om zich uit te leven.

Herman van der Klis: We gingen dan vaak vissen aan het bruggetje gelegen bij de Grote Gracht en de Linschoten. Het was er druk en gezellig: half Oudewater viste daar met een bamboe-hengel gekocht bij de schele Sluis. Ook op paling vissen in de Linschoten was een bezigheid.

Na 1 mei ging het oude zwembad open. Het beruchte bad met het vieze IJsselwater. In onze jonge jaren gingen de meisjes nog gescheiden van de jongens zwemmen. Je ging dan zo vroeg mogelijk naar het bad om als eerste naar binnen te mogen. Dat was noodzaak, want anders had je geen hokje en moest je in de zgn. kippenren je open en bloot omkleden. Wie het eerste bij de ingang was, had 'de knop' en kon na de wisseling met de meisjes als eerste een kleedhokje bemachtigen.

In de wintertijd werd er veel geschaatst op de slootjes aan de Oude Singel. Je kon daar vaak al na een week vorst de Friese doorlopers onderbinden. We reden daar 'verre tochten' richting Tappersheul.

Soms verveelden we ons en haalden kattenkwaad uit zoals bijna alle jongens doen. We trokken er dan op uit de stad in naar de Electrawinkel van Hoogendoorn in de Marktstraat. We vroegen daar of hij een meter pvc-pijp voor ons had liggen. Het liefst voor niks natuurlijk. We draaiden vervolgens papieren pijlen van oude Margrieten en Libelles en Katholieke Illustraties. Het was een ware kunst om deze te vervaardigen. Ze moesten precies passen in de buis en niet los schieten. Goed spuug erop dus. We trokken dan met elkaar door de straten van Oudewater en bliezen dan onze munitie door open wc-raampjes. Uiteraard alleen als er iemand een boodschap deed.

Witte bessen waren nog beter. Deze groeiden aan struiken bij de Christelijke Huishoudschool 'De Brug' aan de Linschoterzandweg. De besjes pasten goed in de pvc-pijpen en je kon snel herladen. Menige buur trok vloekend van leer als wij een spervuur van witte bessen naar binnen schoten. De bezoeker van de poepdoos kon met de broek omlaag natuurlijk geen kant op.

Het plantsoen achter de Oude Singel was ook een ideale plaats om verstoppertje te spelen. We noemden dat bussie trap. Degene die moest zoeken bewaakte het bussie, een conservenblik. Als een verstopte de kans kreeg om het blikje ver weg te trappen, mochten de gevonden jongens zich ondertussen weer snel verstoppen.

Volgende keer meer over 'het onbekommerde jongensleven'. Maar ook een oproep aan 'de meisjes van toen'. Wie schrijft er iets over het onbekommerde meisjesleven in de vorige eeuw? Graag sturen naar wout.van.kouwen@hotmail.com

Bronnen: Facebookpagina 'Je bent pas een Oudewaternaar als ……, 'Groot gedenkboek van de jaren vijftig', 'Mijn vader en ik' door Jack Botermans, Herman van der Klis, Hans de Jong en Henk Stofberg.

De vorige afleveringen van ff z@ppen zijn gebundeld in vier delen. Daarbij is gebruik gemaakt van extra materiaal als aanvulling. De rijk geïllustreerde boekjes zijn voor e 17,50 in Oudewater te koop bij de Read Shop, de TIP en bij de schrijver zelf op De Cope 6. Eind 2020 is 'ff z@ppen deel 5' op de markt gekomen. Onder de titel 'Oudewater 1940-1945' staat dit deel geheel in het teken van de Tweede Wereldoorlog.

Wout van Kouwen

Meer berichten